Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AT3129

Datum uitspraak2005-03-29
Datum gepubliceerd2005-04-04
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Groningen
Zaaknummers04/935
Statusgepubliceerd


Indicatie

Geen beoordeling in beroep van gegevens die eerst in beroep zijn overgelegd, terwijl die gegevens ook in een eerdere fase overgelegd hadden kunnen worden. Niet de aanspraak, maar de beslissing op bezwaar wordt ex tunc getoetst.


Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN SECTOR BESTUURSRECHT ENKELVOUDIGE KAMER Reg.nr.: 04/935 U I T S P R A A K inzake het geschil tussen [eiser], wonende te [woonplaats], eiser, en het college van burgemeester en wethouders van Vlagtwedde, verweerder. 1. PROCESVERLOOP Verweerder heeft bij besluit van 10 augustus 2004 het bezwaar van eiser tegen de beschikking van 15 maart 2004 gegrond verklaard, waarbij de aflossingscapaciteit van eiser is vastgesteld op 100,53 EURO. Eiser heeft tegen dit besluit bij beroepschrift van 5 september 2004 beroep ingesteld. Verweerder heeft op 20 oktober 2004 de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden en een verweerschrift ingediend. Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, door de griffier aan partijen toegezonden. Het geschil is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank van 8 maart 2005. Eiser is aldaar verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de heer J.D.G. de Vries, werkzaam bij de gemeente Vlagtwedde. 2. RECHTSOVERWEGINGEN Bij besluit van 15 maart 2004 heeft verweerder de aflossingscapaciteit van eiser vastgesteld op 134,32 EURO, voor een periode van een jaar te rekenen vanaf april 2004. Tegen dit besluit heeft eiser bij schrijven van 2 april 2004 bezwaar gemaakt. Eiser is ter zake van zijn bezwaar gehoord door de commissie bezwaar- en beroepschriften van de gemeente Vlagtwedde. Deze commissie heeft geadviseerd het bezwaar in zoverre gegrond te verklaren dat rekening wordt gehouden met het juiste bedrag aan inkomsten over de maand januari 2004 en dat voorbij gezien wordt aan de eindejaarsuitkering. Voor het overige wordt geadviseerd het besluit te handhaven. Bij besluit van 10 augustus 2004 heeft verweerder dit advies overgenomen. In beroep heeft eiser naar voren gebracht dat verweerder bij de berekening van zijn gemiddeld inkomen ten onrechte de onregelmatigheidstoeslag, verwerkt in de loonspecificatie van februari 2004, heeft betrokken. Het door hem berekende gemiddelde inkomen (over de maanden juni 2003 tot en met januari 2004) bedraagt 826,97 EURO. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder op juiste gronden de aflossingscapaciteit van eiser voor de periode van een jaar, te rekenen vanaf april 2004, heeft vastgesteld. De rechtbank stelt vast dat verweerder zowel bij de voorbereiding van de beslissing in primo als de beslissing op bezwaar eiser heeft gewezen op het belang van de indiening van alle relevante bescheiden betreffende zijn inkomsten. Tijdens de bezwarenprocedure heeft eiser verweerder geconfronteerd met nadere gegevens. Verweerder heeft met de in bezwaar overgelegde gegevens rekening gehouden bij de vaststelling van de aflossingscapaciteit, hetgeen ook passend moet worden geacht in het kader van de volledige heroverweging in bezwaar. De gronden in beroep behelzen niet het standpunt dat verweerder hetgeen in bezwaar is aangevoerd miskent. In beroep worden wederom nieuwe gronden aangedragen op basis waarvan tot een verdere bijstelling van de aflossingscapaciteit zou moeten worden gekomen. Anders dan in bezwaar wordt in beroep beoordeeld of het bestreden besluit, te rekenen naar de omstandigheden op dat moment (ex tunc) rechtmatig is te achten. De rechtbank oordeelt dat niet in geding is de vraag of het bestreden besluit, gerekend naar die maatstaf, in rechte kan worden gehandhaafd. Aangaande de in beroep aangevoerde gronden oordeelt de rechtbank dat niet is aan te nemen dat eiser niet in de gelegenheid is geweest de in beroep aangevoerde redenen in een eerder stadium naar voren te brengen. De rechtbank ziet daarin aanleiding om voorbij te gaan aan hetgeen is aangevoerd. De rechtbank concludeert dan ook tot ongegrond verklaring van het beroep. Overigens overweegt de rechtbank nog dat verweerders gemachtigde ter zitting naar voren heeft gebracht dat verweerder nog steeds bereid is aan de hand van door eiser ingebrachte bewijsstukken over te gaan tot een nadere vaststelling van de aflossingscapaciteit. 3. BESLISSING De Rechtbank Groningen, sector Bestuursrecht, enkelvoudige kamer, RECHT DOENDE, Verklaart het beroep ongegrond. Aldus gegeven door mr. H.C.P. Venema, rechter en in het openbaar door hem uitgesproken op 29 maart 2005, in tegenwoordigheid van J.A.B. Peterse-Verver als griffier. De griffier, wnd. De rechter De rechtbank wijst er op dat partijen en andere belanghebbenden binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA in Utrecht. Afschrift verzonden op: typ: